Geschiedenis van De Marne

Ongeveer 500 vóór Christus kwamen in dit gebied de eerste bewoners, dit waren Friezen. Ze vestigden zich op de aanwezige natuurlijke hoogten.

Sinds het begin van de jaartelling werden deze hoogten vanwege de stijging van de zeespiegel steeds verder opgehoogd. Zo ontstonden wierden, in Friesland terpen genoemd. In de derde en vierde eeuw werd dit kwelderlandschap geteisterd door zware overstromingen, maar van 400 tot 800 braken er rustiger tijden aan.

dijkhuisje

Wierden en dijken

Eeuwenlang leefden de bewoners rondom het verdronken land van de Lauwerszee op verhogingen in het landschap: ‘wierden’ en ‘kwelderruggen’. Een van deze kwelderruggen strekte zich uit van de wierden van Wehe, Leens, Ulrum, Elens en Menneweer tot Vierhuizen. Vanaf ongeveer het jaar 1000 werden de eerste bescheiden dijken aangelegd om de woonplaatsen en landbouwgebieden te beschermen tegen overstromingen. Hierna ging men verder met het indijken van opgeslibde gebieden langs de noordkust van Groningen, rondom de Lauwerszee en aan weerszijden van het Reitdiep. Aan het eind van de dertiende eeuw had de Lauwerszee haar grootste omvang.

Op het Marne-eiland lagen de wierden Lydense (Leens), Werfhusen (Warfhuizen), Oldrum (Ulrum), Hoorhusen (Hornhuizen), Oldenclooster (Kloosterburen), Wherahusen, (Wierhuizen), Weij (Wehe), Sutherdicke (Zuurdijk) en Fledorp (Vliedorp). Op het tweede eiland (Halve Ambt) lagen onder andere Eendrum (Eenrum) en Maarhusen (Maarhuizen). Door de eeuwen heen is deze zeewering steeds verder naar het noorden komen te liggen en werden steeds nieuwe gebieden ingepolderd.

Uit het gemeenschappelijk belang in de strijd tegen het water ontstonden waterschappen, de zogeheten ‘zijlvesten’. Ondanks al deze inspanningen bleven overstromingen het land teisteren. Zo kwamen bij de Sint Luciavloed in 1287 vele mensen om.

80-jarige oorlog

Na een zeer rumoerige periode rond de vijftiende eeuw zorgde Karel V in 1516 voor enige rust. De tachtigjarige oorlog liet rond de Lauwerszee diepe sporen achter. De watergeuzen maakten de Lauwerszee en de Wadden onveilig en op het land had de bevolking te lijden onder de plunderingen van de Spaanse soldaten. Onder Willem Lodewijk van Nassau veroverden de Friese troepen Soltkamp en plunderden in 1582 vele dorpen in het Marnegebied. Daarbij werden Warfhuizen en Zuurdijk in brand gestoken. Bovendien werd de bevolking schatplichtig gemaakt.

Rampspoed

Bij de Allerheiligenvloed van 1570 verdronken in het Groningerland honderden mensen en tienduizenden stuks vee. De Sint Maartensvloed van 1686 kostte in de provincie Groningen 1558 mensenlevens. Het aantal slachtoffers van de Kerstvloed van 1717 was nog veel hoger. Lange stukken dijk werden volledig weggeslagen en op de plaatsen waar dijken waren doorgebroken ontstonden diepe kolken. Het water stond toen tot bij de stad Groningen. Onder leiding van Thomas van Seeratt werden daarna weer nieuwe dijken aangelegd.

Proosdijen

Het aartsdiakonaat Frisia (deze provincie) behoorde tot 1593 tot het bisdom Munster. Het grondgebied was vervolgens verdeeld in vijf zogeheten ‘proosdijen’. Deze proosdijen beheerden de eigendommen van de kerk. Het hoofd van de proosdij, de proost, verzorgde de geestelijke rechtspraak onder de in de kloosters verblijvende leken (ambachts- en werklieden). In Leens was één van deze proosdijen gevestigd. Na 1593 (de Reductie van Groningen) verloren de proosdijen hun betekenis. De bezittingen van de kerk gingen over naar de provincie of de landjonkers.

De meeste katholieke kerken werden toen omgevormd tot protestantse (hervormde) kerken.

Marnezegel

Rechtspraak

In de rechtspraak eisten de zogeheten ‘redgers’ een belangrijke rol voor zich op. De redgers lieten zich bijstaan door ‘wedmannen’. Het dagelijks politiewerk werd gedaan door de ‘rode roede’ of ‘biesjager’. Oorspronkelijk wisselde het redgerrecht jaarlijks. Voorwaarde daarbij was dat men een eigen heerd had en 30 grazen (1 gras = ongeveer ½ hectare) land. Maar omdat landjonkers heerden gingen opkopen, werd de ‘ommegaande rechtstoel’ steeds vaker een ‘staande rechtstoel’. In 1749 waren van de 65 Ommelander rechtstoelen 33 staande! Deze jonkers woonden in borgen.

Beklemrecht

Vooral na 1775 nam de macht en rijkdom van de landadel af, deels door het in Groningen geldende beklemrecht. Door het beklemrecht verkreeg de pachter een erfelijk, altijd durend en overdraagbaar gebruiksrecht op grond tegen een pacht die niet mocht worden verhoogd en waarbij de grond niet mocht worden gesplitst. Door dit beklemrecht werd de basis gelegd voor de grote welvaart van de boeren. In de negentiende eeuw nam de welvaart verder toe en ontstonden er imposante boerenhofsteden. Aan de noordkust gold tot rond 1935 het zogeheten ‘recht van opstrek’ waardoor de aanliggende boeren steeds weer in de gelegenheid werden gesteld om hun boerderijen verder noordwaarts uit te breiden door omdijkt kweldergebied aan hun landerijen toe te voegen.

oude grenspaal tussen Leens en Ulrum

Lauwerszee wordt Lauwersmeer

In 1878 werd het Reitdiep bij Zoutkamp afgesloten door een dijk waarin zeesluizen werden aangelegd. Na de watersnoodramp in 1953 werd aangedrongen op een betere bescherming tegen de zee en als gevolg daarvan werd in 1969 de Lauwerszee door middel van een dijk afgesloten van de Waddenzee. Zo ontstond het Lauwersmeer.

Vervoer

In 1897 werd de paardentram van Winsum via Wehe naar Ulrum in gebruik genomen. Hiervan stonden tramremises in Wehe en Ulrum. In 1922 werd de tramlijn Winsum - Zoutkamp (via Eenrum, Wehe-den Hoorn, Leens en Ulrum) geopend. Het vervoer langs deze lijn werd in 1949 opgeheven. De voormalige stationsgebouwen van Leens, Ulrum en Zoutkamp bestaan nog maar hebben een andere functie gekregen.

Datum laatste wijziging: 03 oktober 2011.

Terug naar boven